Met een klap valt de duisternis weer over me heen en ik voel de rust terug keren. De geur van stof en urine die hier stevig aanwezig is zit diep in me en heeft alleen nog maar een geruststellende werking op me; liever dit dan pappa die stinkt en aan me zit. Ik leg mijn hoofd in de vaste hoek en voel langzaam wat kwijl uit mijn mond langs mijn kin druipen, mijn schouder ligt onder me als steun en uiteindelijk zakt de pijn wat.
Ik zie mevrouw doddels die naar me kijkt, ze zwaait en draagt een witte jurk met rode bloemetjes erop en de zon geeft haar een krans door haar betoverende haar. Ik zie elfjes die rond haar heen dansen en delen van haar jurk optillen, de rondingen van haar borsten komen samen in een bloot gedeelte en ik stel me voor dat het daar naar slagroom ruikt. Ze houdt een hond aangelijnd vast en ik ren er op af, mijn armen uit elkaar en alles is goed, de hond veert op en likt me in het gezicht. Ik weet niet wanneer of waar dit is of was. Ik ben gelukkig.
Door het duister hoor ik mama die de tv aanzet, mevrouw doddels is weg en mijn broek is nat en koud, ik snik maar een traan komt niet meer, nooit meer, ik denk dat mijn tranen op zijn. Zachtjes neurie ik een liedje dat ik voor mezelf heb bedacht en probeer met alle macht voor te stellen dat ik ren door een weiland terwijl een grote stereo dat lied voor me speelt, maar het lukt me niet.
Mevrouw doddels buigt zich over me heen en aait door mijn stroeve haar, ze glimlacht en mijn hele buik viert feest, mijn schouders trekken samen en ik denk dat ik licht geef. Ik roep dat ik van haar hou en altijd op haar buik in slaap zou willen vallen. Ik voel ook dat mijn piemel stijf wordt en er volgt een stroom aan beelden waarin ik mevrouw doddels bruut besping zoals honden dat doen en het uitjoel van pure vreugde. Zij joelt met me mee, ik begin haar te slaan en te wurgen, ik schop haar hond in het bos en bloed stroomt over mijn onderbuik en benen. Mevrouw Doddels juicht nog steeds en ik raak in de war.
Met een hels gekraak valt het licht over me heen, ik kijk in een zon die me recht in de ogen schijnt over de schouder van een mijnheer met een pet op en een gouden penning. De mijnheer zegt dat ik op moet staan, dat ik vrij ben en met hem mee moet komen, maar ik wil niet. Ik schreeuw dat ik terug wil naar mevrouw doddels, ik wil slagroom ruiken en elfjes zien. De mijnheer kijkt me zielig en geschrokken tegelijk aan, achter hem wordt mama met haar handen op haar rug meegenomen door een andere mijnheer. Ik ben bang.