Ik geef het toe, ik vind het mooi. Als een onbeholpen lading protoplasma de latten onderbinden en met snelheden waar ons lichaam in het algemeen niet voor is gemaakt de diepte induiken, in de hoop dat er geen duitsche familie om de hoek van dat bergpad had besloten om de skistokken met de scherpe kant omhoog in de sneeuw te steken. Heerlijk.
Ik geniet volop als ik die busladingen hollanders scheldend, vloekend en tierend op de plaats van bestemming zichzelf zie hijsen in migraine skipakken die vaak vele malen te klein zijn en nauwelijks aansluiten bij de afgeragde skischoenen die voor een prikkie bij "glijende govert" om de hoek zijn gekocht. Les is nooit nodig en vol overmoed stapt men in de eerste langskomende skilift (wat kan er immers misgaan) om tot grote hilariteit van het personeel capriolen uit te halen die zelden gemist worden door de overal aanwezige camera's. Met weemoed zie ik toe hoe moeders onder lichte dwang van kleinzoons van gitzwarte afdalingen worden afgeduwd ("ze doet zo leuk mee") om onder begeleiding van doodskreten-in-doppler-effect dat onvermijdelijke spoor te kiezen richting de grote skischans waarna het versplinteren van botten tot ver in het dal te horen is. Kleinzoons, die overigens weliswaar de gemiddelde afdaling met glans overleven, echter overmand door haantjes gedrag het gebruik van het glijvermogen tot het uiterste willen gebruiken in de hoop een onsterfelijke indruk te maken op de lokale feiglin bergslet, om zo alsnog alle facetten van pijnbeleving langs het geestesoog voorbij te mogen zien trekken.
Nadat de pistes zijn geruimd van lijken en ledematen en de mannen in de grommers aan de slag mogen om het slagveld weer glad te strijken voor de dag die komen gaat, begint deel twee van de skibeleving: De apres ski. Zuipt men thuis zich het leplazerus in cafe het Penseeltje om de hoek, hier doet men precies hetzelfde, maar dan in een in alle haast opgezette paraplu hut met evenveel frisse lucht als een gesloten turks riool en de uistraling van van een visafslag. Lachend bralt eenieder mee met liedjes die uitblinken in het herhalen van eenlettergrepige klanken (ti-ta-toeter / schni-schna-schnappi) en stort men het spaarvarken leeg op de bar om grote glazen met, berggeiten pis aangelengde, pils in grote glazen te laten verschralen. De dag is pas voorbij als er bij de lokale patathoer een, voor een hypotheek waardig bedrag, geblakerd stuk schweinfleisch naar binnen is geschoven en de tocht naar het tot appartement omgebouwde legbatterij gemaakt kan worden. Na een week dit ritueel dagelijks te hebben herhaald wordt eenieder gesommeerd op te pleuren uit het oord, worden de ondergesneeuwde bolides schoongekrabd en mag er weer worden aangesloten in de polonaise van geelzwarte zondagsrijders met grafkisten op het dak.
Slechts een enkeling blijft achter in zijn roes en komt nooit meer terug van de wintersport, het is het type dat, net als ik, altijd grijnzend aan de kant van de piste staat te kijken en dingen ziet die de gemiddelde, aanstonds zijn nekbrekende, wintersporter niet eens opvalt...